STA OP! met naasten

Op deze pagina vindt u de 6 stappen met basisinformatie. Stap 0 en 1 zijn samengevoegd.

De stappen

Wanneer iemand zich ineens anders gaat gedragen, gaan we eerst na of alle basisbehoefte vervuld zijn of dat iemand pijn heeft. Dat zit zo. We krijgen allemaal de hele dag door prikkels uit ons lijf en uit onze omgeving. Wanneer deze prikkels aankomen in ons brein, geeft het brein op twee manieren betekenis: het geeft een gevoel aan de prikkel, dat noemen we het emotionele brein en het geeft een inhoudelijke betekenis aan de prikkel, dat noemen we het denkende brein.

Bijvoorbeeld: als iemand je over je arm aait, kan het gevoel zijn dat je kalm wordt en de inhoudelijke betekenis kan zijn: ‘zij is er voor mij’. Ditzelfde gebeurt ook met prikkels uit je lijf. Als je blaas vol zit kan die prikkel leiden tot een gevoel van onrust. De inhoudelijke betekenis die gegeven wordt is ‘ik moet snel naar het toilet, dan gaat dit over’. Bij mensen met dementie werkt het denkende brein niet meer goed. Ze ervaren dus wel een gevoel, maar kunnen hier niet goed meer een betekenis aangeven. Regelmatig zorgt een basisbehoefte als naar het toilet gaan, honger, dorst, koud of warm hebben of een vieze bril, voor onrust die iemand niet meer kan benoemen. Hetzelfde geldt voor pijn. Door de prikkel uit het lijf ontstaat onrust, die niet meer geduid kan worden als pijn. Het heeft bij deze stappen geen zin om aan iemand te vragen of hij honger, dorst of pijn heeft.

We gaan het observeren aan de hand van een pijnobservatielijst en we proberen uit wat er gebeurt als we iemand bijvoorbeeld wat te eten geven of meenemen naar het toilet.

In deze stap worden naasten op de hoogte gebracht van het opstarten van de STA OP! met naasten methode. We zijn benieuwd wat jullie opvalt wanneer je tijd doorbrengt met je naaste en (voor zover nog niet bekend) wat oude gewoonten waren die een rol kunnen spelen bij het gedrag.

Ieder mens heeft psychosociale behoeften. We zijn gemaakt om ons te verbinden met anderen. Psychosociale behoeften zijn kernbehoeften waardoor je je verbonden en van betekenis voelt. Deze zijn heel verschillend per persoon. Vanuit Warande richten we ons op een aantal kernbehoeften, namelijk aandacht, comfort, erbij horen, gehechtheid, identiteit en bezig zijn. In deze stap gaan we na of deze behoeften goed ingevuld worden. Maar kernbehoeften verschillen van persoon tot persoon. Dus gaan we ook na of we de behoefte van deze bewoner wel goed in beeld hebben. Hiervoor kijken we welke prikkels iemand op een dag krijgt: is het te veel of te weinig? We kijken hoe de balans is tussen rust en activiteit en tot slot evalueren we of iemand voldoende momenten heeft van ‘betekenisvol contact’. Dat is een moment van 1 op 1 aandacht, waarin iets wat iemand oprecht fijn vindt centraal staat. Als naaste bent u hier van grote waarde door inzicht te geven in waar iemand altijd van kon genieten en wat belangrijk was in het leven. Is het cliëntverhaal nog niet ingevuld in ONS? Dan is dit het moment om dit te delen. Wij kunnen u ook helpen, door aan te geven welke activiteiten wij denken dat u kunt ondernemen als u op bezoek komt of wat goede bezoek- en rusttijden zijn.

Wanneer de eerste stappen geen handvatten opleveren om het onbegrepen gedrag te stoppen of verminderen, proberen we hier comfortinterventies uit. Dit zijn interventies die vaak speciaal ontworpen zijn om mensen met dementie rust (comfort) te bieden. We kijken waar iemands voorkeuren lagen en waar juist niet en proberen hierbij aan te sluiten met de interventie. Voorbeelden zijn het inzetten materialen en technologie, zoals een knuffel, die verzwaard kan zijn, geluid maakt of juist muziek. Maar ook een handinwrijving, samen zingen, iets lekkers eten of oude fotoboeken kijken zijn interventies die vaak een kalmerend effect hebben.

Net als in stap 2 bent u als naaste van grote waarde door aan te geven, maar vooral ook mee uit te proberen wat uw naaste prettig vindt.

In stap 1 hebben we onderzocht of pijn een rol speelt bij het ontstaan van het onbegrepen gedrag. We hebben daarvoor goed geobserveerd en zijn toen tot de conclusie gekomen dat pijn geen rol lijkt te spelen. Als we bij stap 4 aankomen, zijn we bijna aan het einde van de STA OP-cyclus en hebben gedragsinterventies uit stap 2 en 3 niet geholpen om het gedrag te verminderen. Omdat uit onderzoek blijkt dat pijn bij veel mensen met dementie ongemerkt een rol speelt, starten we in deze stap toch  met een proefbehandeling met pijnmedicatie. Dit klinkt misschien gek, maar we doen dit omdat de volgende stap is dat we gaan kijken naar gedragsbeïnvloedende medicatie. We willen zeker weten dat het gedrag niet verholpen kan worden met een pijnstiller voor we hiertoe overgaan. De arts is het aanspreekpunt bij deze overweging.

Als stappen 0 tot 4 van de methode doorlopen zijn, maar geen succesvolle interventie gevonden is, is de laatste stap het overwegen van psychofarmaca. Het is in onze visie de laatste strohalm, maar soms ook wat iemand echt nodig heeft om zich comfortabel te voelen. De arts kan besluiten om een psychiater of een andere externe deskundige te raadplegen. Het kan ook zijn dat een externe deskundige opnieuw meekijkt naar gedragsinterventies. Als het gedrag met medicatie onder controle is zal na verloop van tijd altijd bekeken worden of afbouw mogelijk is. De arts zal de overwegingen in deze stap altijd met de vertegenwoordiger van de bewoner afstemmen.

Heeft u
nog vragen?